Redden van de rechtsstaat

Het gaat niet goed met de sociale advocatuur. Dat is de meeste juristen wel bekend. 7 op de 10 sociale advocaten dreigt ermee te stoppen en onlangs moest de (bij velen inmiddels beruchte) minister voor ‘Rechtsbescherming’ Sander Dekker zelfs abrupt ingrijpen om te voorkomen dat straks geen enkele advocaat meer bereid is om zich aan te melden voor de piketdienst jongerenstrafrecht:

Deze maatregelen zijn kleine stapjes in de goede richting, maar over het algemeen is de situatie in de sociale advocatuur nog steeds alarmerend.

Verbaasd was ik dan ook toen ik als kersverse student strafrecht kennis nam van de problematiek en te weten kwam dat ‘mijn’ politieke partij, het toch behoorlijk juridische D66, in de Tweede Kamer onvoldoende tegengas aan het geven was. Had het redden van de sociale advocatuur geen prioriteit bij de Democraten?

Daar moest ik iets aan doen. En dus meldde ik me een half jaar geleden aan bij de kennisgroep mensenrechten en veiligheid bij D66 Amsterdam. Daar kreeg ik te horen dat het indienen van een motie op het landelijk congres van D66 een directe sturing kon geven aan de Tweede Kamerfractie. Om zo’n motie op de agenda te krijgen kun je twee dingen doen: een afdeling een motie laten accepteren als ware het een motie van een afdeling (bijvoorbeeld Amsterdam) of 25 stemmen van leden verzamelen en de motie individueel inbrengen. Aangezien de afdeling Amsterdam de grootste afdeling van D66 is leek het me een gewichtige zet om deze afdeling te overtuigen. Dat zou eventueel ook de gelegenheid bieden aan andere afdelingen om zich aan te sluiten.

Zo gezegd, zo gedaan! Afgelopen zondag 22 september was het stadscongres van D66 Amsterdam in CREA. Onze kennisgroep organiseerde er twee belangrijke en goedbezochte deelsessies over etnisch profileren en natuurlijk het redden van de sociale advocatuur. We hadden het genoegen om Marije Jeltes te ontvangen als spreker. Marije ontketende een stortvloed aan steunbetuigingen toen zij begin 2018 haar werkzaamheden als advocate stopte omdat ze met de erbarmelijke inkomsten simpelweg haar gezin niet meer naar behoren kon onderhouden. Ze bleek ook nog eens haar D66-lidmaatschap om die reden te hebben opgezegd: de perfecte persoon om ons te vertellen hoe we het beter moeten doen!

Tijdens de algemene ledenvergadering diende de kennisgroep de volgende motie in:

Ik had de eer om de motie namens de kennisgroep te presenteren:

Het resultaat? De motie werd unaniem aangenomen en het bestuur gaf aan dat dit de perfecte motie was voor D66 Amsterdam om zich als afdeling achter te scharen! Ik had niet heel veel tegenstand verwacht, maar dit kwam toch wel even binnen moet ik bekennen:

Onder andere Boris Dittrich (Eerste Kamerlid D66) bleek in de zaal te zitten. Ook hij sprak zich positief uit over het feit dat de motie werd ingediend en gaf aan dat hij op korte termijn met minister Dekker zou spreken over de kwestie.

De eerste (kleine) stap is genomen. Op 9 november is het landelijk congres. Daar zal ik zeker bij zijn om mijn motie verder te verdedigen en er hopelijk voor te zorgen dat D66 de coalitie ertoe beweegt om een andere koers te varen. Want het redden voor de rechtsstaat is een zaak om voor te strijden!

[Paper] Vrijkomen met levenslang: de facto nog steeds erg lastig

Onderstaande paper leverde ik op 8 februari van dit jaar in bij prof. mr. P.C. Vegter, bijzonder hoogleraar sanctierecht aan de Radboud Universiteit en tevens Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad. De stelling die ik in ongeveer één A4 moest behandelen: De wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in Nederland verhoudt zich niet met artt. 3 en 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.


Vrijkomen met levenslang; het blijkt ​de facto​ nog steeds erg lastig

Van degenen die in Nederland na 1986 een levenslange gevangenisstraf (hierna: levenslang) ondergingen, heeft niemand omwille van rehabilitatie gratie gekregen.1​ ​Opsluiting zonder perspectief op vrijlating is in het licht van mensenrechten echter problematisch.2​​ ​De huidige Nederlandse regeling van levenslang is er een die, na het nodige commentaar door de HR en het EHRM, de toets van het EVRM inmiddels doorstaat. Ruimhartig is deze echter niet te noemen.

De levenslange straf kan in strijd zijn met art. 5 EVRM wanneer er geen ​causal link​ is tussen de veroordeling en vrijheidsbeneming (lid 1) of indien een vorm van ​review​ ontbreekt (lid 4).3​​ ​Het eventueel ontbreken van een causal link​ kan bij levenslang pas worden vastgesteld indien de straf al een flinke tijd ten uitvoer gelegd wordt. Het draait daarbij om het karakter van levenslang in ons nationale recht: de ​causal link​ kan mettertijd verloren gaan doordat van vergelding geen sprake meer is en de veroordeelde ook geen gevaar meer oplevert voor de samenleving. Dat is in Nederland lastig aan te tonen, omdat de Nederlandse rechter bij oplegging geen duidelijk onderscheid maakt tussen deze twee factoren bij de strafbepaling. Betreffende het vereiste van een ​review heeft de HR bepaald dat de mogelijkheden voor een gedetineerde, om gratie te verzoeken en de civiele rechter de rechtmatigheid van de straf te laten toetsen, voldoende is.4

Het EHRM kent staten bij de interpretatie van het EVRM een grote vrijheid toe.5​ ​Desondanks kan op- of tenuitvoerlegging van levenslang in strijd zijn met art. 3 EVRM – op dit artikel is de discussie de afgelopen 15 jaar het meeste toegespitst – indien de straf ​irreducible dan wel ​grossly disproportionate ​is.6​​ ​Voor Nederland is alleen irreducibility​ van belang.7​ ​Hiervoor geldt dat tijdens de tenuitvoerlegging van levenslang moet worden vastgesteld of deze straf nog wel een penologisch doel dient.8​​ ​De enkele grond van vergelding of afschrikking is niet voldoende bij een reeds langdurige voortzetting van levenslang.9​ ​Is van een penologisch doel geen sprake meer, dan is relevant of de straf ​de jure​ en ​de facto​ verkort kan worden: een veroordeelde moet op basis van geldende regelgeving een uit de praktijk volgend reëel uitzicht op rehabilitatie hebben.10​ Dit perspectief mag niet illusoir zijn.11​ Zo tellen vrijlatingen die niet op rehabilitatie gericht zijn (maar bijvoorbeeld uit barmhartigheid bij terminale ziekte) niet mee.12​ Binnen (bij voorkeur) 25 jaar na oplegging moet aan de hand van kenbare objectieve criteria beoordeeld worden of het mogelijk is de veroordeelde te rehabiliteren.13​ En al voordat deze herbeoordeling plaatsvindt moet de veroordeelde de gelegenheid geboden worden om zich voor te bereiden op een effectieve rehabilitatie.14​ Het is niet vereist dat een periodieke herbeoordeling van de straf door een rechter bij wet geregeld wordt, maar een dergelijk ​review mechanism​ wordt wel aanbevolen.15​​ Bepalen hoe een staat zijn strafrechtelijk systeem inricht gaat de rechtsvormende taak van de rechter echter te buiten.16

In Nederland leek de regeling van gratie bij levenslang tot voor kort inderdaad strijdig met het EVRM.17​ De HR hield in 2016 om die reden een zaak aan omdat er nieuwe regelingen voor levenslang op handen waren die strijdigheid met art. 3 EVRM weg zouden kunnen nemen.18​​ Daarvoor was politiek veel draagvlak, vooral bedoeld zodat rechters zich niet langer belemmerd zouden voelen om levenslang op te leggen.19​ Van deze regelingen is het Besluit Adviescollege Levenslanggestraften (Besluit ACL) het belangrijkste.20​ Het regelt activiteiten t.b.v. re-integratie en gratie. Het ACL toetst of tenuitvoerlegging van de straf nog gerechtvaardigd is en houdt daarbij rekening met het recidiverisico, de delictgevaarlijkheid, het gedrag en de ontwikkeling van de gedetineerde en de impact op slachtoffer(s) en in dat kader de passende vergelding. In 2017 concludeerde de HR dat (mede) door het Besluit ACL inderdaad een herbeoordelingsmechanisme is ontstaan dat voldoende perspectief op vrijlating biedt.21​ Dat het Besluit de ruimte laat om pas na 27 jaar ambtshalve over gratie te oordelen, wordt door de HR, mede vanwege de subsidiaire rol die het EHRM heeft, aanvaardbaar geacht.22

Vanuit diverse hoeken is geconcludeerd dat het ACL zich beperkt tot hetgeen door het EHRM als strikt noodzakelijk wordt beschouwd.23​​ De kritiek richt zich op het feit dat de Nederlandse regeling te laat en in onvoldoende mate de mogelijkheid biedt op vrijlating omdat de eerste 25 jaar primair in het teken staan van vergelding, en rehabilitatie daarbij te weinig aandacht krijgt.24​​ Gezien de psychische problemen die deze gedetineerden vaak hebben is de tijd, die zij krijgen om ervoor te zorgen dat zij niet langer als delictgevaarlijk worden bestempeld, veel te weinig. Ik deel de conclusie van Van Hattum dat uit alles blijkt dat men niet voornemens is het evenwicht tussen staat en veroordeelde écht te herstellen. Alles ligt tegenwoordig in de handen van een veroordeelde die juist door tientallen jaren detentie in al zijn capaciteiten ernstig verzwakt is.25​ Het wettelijk kader mag nu wellicht ​de jure v​oor voldoende perspectief zorgen, ​de facto​ valt daar nog het nodige op af te dingen.


Een week later moest ik deze stelling met een presentatie toelichten. Het oordeel van dhr. Vegter: “Waarom is dit uitstekend? Uit heel veel informatie de kern gehaald en die zowel op papier als mondeling glashelder toegelicht. Goed dat een stevig standpunt is ingenomen, ook al kan daar verschillend over worden gedacht. Cijfer: 9″ (Het hoogste cijfer van mijn jaar).

Voetnoten